De wereld van vandaag mist eenheid. We zien het in verdeeldheid binnen het gezin, tussen buren, tussen kerken en gemeenschappen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Het lijkt erop dat polarisatie prevaleert boven begrip. Het is een gevolg van het individualisme dat ons overneemt en ons ertoe aanzet om voor onszelf te beslissen en te handelen, waarbij we ons eigen persoonlijke belang of prestige nastreven en anderen, hun behoeften en hun rechten devalueren.

En ondanks dit is het mogelijk om eenheid te ervaren. Het is een reis die altijd klein begint, vanuit een intern ja: ja tegen gastvrij, ja tegen vergevingsgezind, ja tegen leven voor anderen. Dit zijn geen grote projecten, maar kleine loyaliteiten die op de lange termijn een leven, een gemeenschap, een hele omgeving transformeren. En wanneer dit gebeurt, beseffen we dat broederschap niet langer een ideaal is, maar een zichtbare realiteit en hoop voor iedereen wordt.

Martin Buber is van mening dat eenheid relatie is. Het is de ruimte van ontmoeting, die bestaat tussen Jij en Ik, een heilige plek waar verschillen niet verdwijnen, maar wederzijds worden erkend. Voor hem ontstaat eenheid wanneer twee werkelijkheden elkaar laten raken, en niet wanneer de een zich aan de ander opdringt. Dit ‘tussen’ kan worden opgevat als een ruimte die diversiteit verwelkomt en die juist om deze reden een bron van gemeenschap wordt. Daarom is voor Buber ‘het hele echte leven een ontmoeting.’ (Ich en Du, 1923)

In de ander ontdekken we dus, of het nu een vriend, een familielid of iemand anders is die we op onze reis tegenkomen, de grote ‘mogelijkheid van een relatie’. In het bijzonder ‘redt de ander ons’ wanneer een vermoeiende situatie ons lijkt op te sluiten in onze angsten, waardoor we verder kunnen gaan dan onszelf. Leven om verenigd te zijn betekent samen wandelen ondanks de verschillen, en deze transformeren in een schat en niet in een obstakel. Het is een uitnodiging om van eenvoudig samenleven over te gaan naar ontmoeting, waarbij wat ieder toebehoort, in wederkerigheid, nieuw wordt omdat het wordt gedeeld en in relatie wordt gebracht. Eenheid, op deze manier opgevat, is niet de som van ons tweeën, en het is niet eens kwetsbaarheid: het is een kracht die de hoop genereert dat er nog een morgen is. Diversiteit is niet langer verdeeldheid, maar wederzijdse rijkdom. Het is voelen dat wat er in de ander gebeurt, ook in mij resoneert. “Eenheid bestaat niet uit gelijkheid, maar uit harmonie”, herinnert Rabindranath Tagore ons.

Mogen wij deze maand de vreugde, het licht, het leven, de vrede en de hoop ervaren die voortkomen uit geleefde eenheid.

Als we één zijn, wordt alles anders waargenomen.